Eerste bewoner

Niemand anders heeft in dit huis gewoond. Het bovenste huis van de flat. Het penthouse met een dubbel zo grote woonkamer als de andere huizen, een slaap­kamer, een keuken en een badkamertje met douche.
Peter (73) heeft nooit in een ander huis gewoond dan in dit huis. Behalve bij zijn ouders, op de ­Nieuwlicht­straat, waar hij in 1945 geboren werd. Hij heeft de flat gebouwd zien worden en trok er precies vijftig jaar gele­den in.
Peter is homoseksueel. Hij werd regelmatig uitgescholden voor vuile flikker. Hij heeft één romantische relatie gehad van een half jaar.

Als we binnenkomen, zit hij voor de tv. Zijn grote luie stoel staat nog geen halve meter van het scherm af. De tv staat op RTV Utrecht, zonder geluid, want op de platen­speler speelt hij dramatische filmmuziek. Trompetten, hoorns, strijkers en pauken.
Naast hem liggen de fotoboeken. Daarin plakt hij de foto’s van filmsterren uit de jaren zestig en zeventig. Die jaren ging hij bijna elke week naar de film. Zijn lievelingspersonage is Ben Hur.
Het huis is netjes, opgeruimd. In de koelkast staat zijn eten voor deze week: kaas, worst, twee pakjes margarine, melk en koekjes. De hulp is net geweest.
Veel contact met de buren heeft hij niet, maar op straat wordt hij vriendelijk begroet.
Vanaf deze hoogte kijkt hij uit over de stad. De bruggen over het Amsterdam-Rijnkanaal, de Douwe Egberts-­fabriek, de Dom en de verrekijker van de Rabobank.

Als we anderhalf uur later willen gaan, neemt Peter me nog even bij de hand. In de keuken trekt hij een lade open. Er ligt bijna niks in, behalve een paar scherpe messen en een roestige schaar die verschuiven als hij de lade opentrekt. Hij pakt de schaar eruit.
Peter praat moeilijk. Bibberend, hortend en stotend perst hij net zo lang lettergrepen uit tot zijn gespreks­partner hem begrijpt. ‘Dit... was... de... schaar.’
Peter is kapper geweest. Dameskapper. Op zijn 45e werd hij ziek. Hij begon te bibberen en moest stoppen met zijn werk.
‘Ik... mis... het...’
‘Het werk?’ vraag ik.
‘Klet-sen.’